Mortuariumbeheer

Samenvatting

 

Sinds de jaren ’70 is het mortuariumbeheer sterk veranderd. Waar vroeger verpleegkundigen de laatste verzorging uitvoerden, is deze taak geleidelijk overgenomen door uitvaartverzorgers. Dit leidde tot meer overbrengingen naar uitvaartcentra en uiteindelijk tot het uitbesteden van mortuariumbeheer door zorginstellingen aan commerciële partijen zoals CMO.

Deze ontwikkeling bracht problemen met zich mee. Mortuariumbeheerders hadden vaak geen direct contact met nabestaanden, waardoor wensen rondom de verzorging niet goed bekend waren. Dit leidde tot onvolledige verzorging en dubbele kosten. Daarnaast ontstond oneerlijke concurrentie doordat uitvaartbedrijven via mortuariumbeheer opdrachten naar zich toetrokken.

Een belangrijke juridische doorbraak kwam na een rechtszaak van Evert de Niet. De Hoge Raad oordeelde in 1999 dat noodzakelijke zorg na overlijden voor rekening van de zorginstelling moet komen. Toch werd via een convenant (opgesteld door o.a. de VMG) een onderscheid gemaakt tussen noodzakelijke en wenselijke handelingen. De invoering van de zogenoemde 3-uursregeling (waarbij koelen na drie uur als noodzakelijk wordt gezien) maakte het mogelijk om kosten alsnog bij nabestaanden in rekening te brengen.

Ondanks herhaalde Kamervragen en politieke aandacht, onder meer door Pieter Omtzigt en anderen, bleef de praktijk grotendeels ongewijzigd. Ministers erkenden problemen zoals gebrek aan transparantie en druk op nabestaanden, maar concrete verbeteringen bleven uit.

Ook media-aandacht, onder andere via het programma Kassa, leidde niet tot structurele veranderingen. In de praktijk blijven nabestaanden onder tijdsdruk keuzes maken en worden kosten vaak onduidelijk of onterecht doorberekend.

Conclusie:
Het mortuariumbeheer kent al decennia structurele problemen rond transparantie, kosten en keuzevrijheid. Ondanks juridische uitspraken en politieke aandacht is er weinig veranderd, waardoor verbetering nog steeds noodzakelijk is.

Mortuariumbeheer

Uitgebreid met links naar documenten

In de jaren ’70 was het gebruikelijk dat de laatste verzorging (afleggen) van een overledene werd uitgevoerd door een (gediplomeerd) verpleegkundige. Overledenen werden destijds nog als potentieel besmet beschouwd. In ziekenhuizen en verpleeghuizen werd deze taak uitgevoerd door de verpleging, terwijl bij een overlijden thuis een verpleegkundige van de wijkverpleging of een particuliere verpleegster deze verzorging op zich nam.

Geleidelijk veranderde deze praktijk. De kruisverenigingen verdwenen, particuliere verpleegkundigen vergrijsden, en uitvaartverzorgers namen de taak van de laatste verzorging over. Dit gebeurde meestal door de overledene te vervoeren naar een uitvaartcentrum, waar de verzorging plaatsvond. Hierdoor kregen vervoerders steeds vaker te maken met nachtelijke overbrengingen, die zo snel mogelijk moesten plaatsvinden.

Een grote vervoerder in de regio Haaglanden, Aad Scholtes van Scholtes & Valster, nam contact op met Hans Heikoop, destijds accountmanager bij Bogra. Hieruit ontstond de oprichting van CMO, een organisatie die zich niet alleen richtte op de laatste verzorging aan huis, maar ook in ziekenhuizen. Veel ziekenhuizen gingen met CMO in zee, ontsloegen hun mortuariummedewerkers en lieten het mortuariumbeheer over aan CMO.

Naast CMO kwamen er meerdere aanbieders, vaak uitvaartverzorgers die het mortuariumbeheer overnamen om extra omzet te genereren. Dit werd gezien als een legale vorm van “lijkenpikkerij”.

Problemen met mortuariumbeheer

Een ander probleem was dat mortuariumbeheerders niet altijd direct contact hadden met de nabestaanden. Hierdoor was vaak niet bekend hoe zij de laatste verzorging wensten. Kleding ontbrak regelmatig, waardoor de verzorging onvolledig was en later deels moest worden overgedaan door de uitvaartverzorger. Dit leidde tot dubbele kosten op de rekening van nabestaanden, wat tot vragen en frustratie leidde. CMO probeerde dit op te lossen door hun kosten te omschrijven als “mortuariumkosten”.

Evert de Niet, directeur van de Groningse uitvaartvereniging “Algemeen Belang”, stelde zich in 1995 de vraag waarom dit zo moest. Hij zag dat rouwkamers in verzorgingshuizen werden overgenomen door uitvaartverzorgers, waardoor andere uitvaartondernemers minder opdrachten kregen. Met steun van nabestaanden startte hij op 5 maart 1995 een rechtszaak.

De NUVU steunde deze zaak om duidelijkheid te krijgen. Op 6 februari 1996 wees de kantonrechter de vordering af. Evert de Niet ging in hoger beroep en op 30 januari 1998 vernietigde de Rechtbank Groningen het eerdere vonnis. CMO ging in cassatie bij de Hoge Raad, die op 3 december 1999 oordeelde dat noodzakelijke handelingen na overlijden voor rekening van de zorginstelling kwamen. [1]

Oprichting van de VMG en de 3-uursregeling

Hans Heikoop en anderen richtten de VMG op. Een van hun belangrijkste taken was het opstellen van een convenant, waarin werd bepaald welke handelingen noodzakelijk waren en welke wenselijk. Volgens Heikoop gebeurde dit in opdracht van de Hoge Raad, al is hiervan in het vonnis geen bewijs te vinden. De lijst had vooral als doel om toch nog kosten in rekening te kunnen brengen.

Een belangrijke bepaling was dat koelen een wenselijke handeling was, maar na drie uur noodzakelijk werd. Hierdoor kon het koelen alsnog aan nabestaanden worden doorberekend. Dit leidde tot vragen, onder andere van CDA-Kamerlid Bruijns, die op 3 maart 2000 Kamervragen stelde. [2] De minister antwoordde dat er een convenant in de maak was. Op 10 november 2000 herhaalde Bruijns zijn vragen en kreeg hij opnieuw een soortgelijk antwoord.

Bruijns stelde terecht de kernvraag: waarom werd koelen niet gewoon als noodzakelijke zorg opgenomen? De minister, Els Borst, gaf toe dat nabestaanden hierdoor onder (tijds)druk kwamen te staan, maar vond drie uur voldoende. De 3-uursregeling bleef bestaan.[3]

Politieke strijd en mediabelangstelling

Binnen de NUVU bleef Evert de Niet dit onderwerp aankaarten, maar het kreeg nooit serieuze opvolging. Hij riep leden op de rekeningen niet te betalen, maar weinigen durfden dat aan. Ik werd regio-voorzitter van de NUVU in West-Nederland en kreeg te maken met dezelfde problemen in mijn regio. Hierdoor raakte ik er steeds meer bij betrokken.

In 2007 stelden Pieter Omtzigt en Janneke Schermers Kamervragen over (natura)uitvaartpolissen van Yarden, waarin ook vragen over het mortuariumbeheer werden meegenomen. De minister gaf wederom aan dat er afspraken waren gemaakt. [4]Hierop stuurde ik een e-mail naar de Kamerleden met uitleg over hoe kosten alsnog bij nabestaanden werden neergelegd.[5] [6]Tot mijn verbazing kreeg ik antwoord van Pieter Omtzigt, die me uitnodigde voor een gesprek. Dit werd op het laatste moment afgezegd vanwege een spoeddebat, maar ik hield contact met hem.

Verschillende Kamerleden, waaronder Khadija Arib (PvdA), stelden aanvullende Kamervragen over de onethische praktijken rondom mortuariumbeheer. De minister bleef volhouden dat nabestaanden vrije keuze hadden, maar ik wist uit de praktijk dat dit niet klopte.[7]

Op 3 maart 2009 stelden Omtzigt en Ten Hoopen opnieuw Kamervragen. De minister erkende dat koelen wél tot de noodzakelijke zorg behoorde en dat ziekenhuizen transparant moesten zijn over de kosten van wenselijke zorg.[8] Desondanks veranderde er niets.

Media-aandacht en verdere ontwikkelingen

In 2014 werd ik benaderd door het consumentenprogramma Kassa. Ik werd uitgenodigd voor een uitzending waarin ik met Hanke Bruins Slot sprak. [9]Tijdens de uitzending gaf zij toe dat nabestaanden in vrijheid moesten kunnen kiezen door wie ze de wenselijke zorg lieten uitvoeren. Ze stelde opnieuw Kamervragen, waarop de minister antwoordde dat voor wenselijke zorg een expliciete opdracht nodig was.[10] Dit leidde echter niet tot concrete verbeteringen.

In 2017 volgde een nieuwe uitzending van Kassa, waarin ik met Jan-Jaap Palma van Uitvaart24 aan tafel zat. [11]We bespraken de praktijken waarbij mortuariumbeheerders nabestaanden beïnvloedden om niet voor een andere uitvaartverzorger te kiezen. Na de uitzending werden opnieuw Kamervragen gesteld, maar zonder merkbare verandering in de praktijk.

Het mortuariumbeheer blijft een probleem. De 3-uursregeling zorgt ervoor dat nabestaanden onder druk staan om snel een keuze te maken, en kosten worden nog steeds op slinkse wijze doorberekend. Ondanks politieke en media-aandacht is er weinig verbeterd. De strijd voor transparantie en keuzevrijheid voor nabestaanden blijft noodzakelijk.

links naar de documenten en media

[1] [Uitspraak Hoge Raad 3 dec 1999.pdf]

[2] [ah-tk-19992000-971 Buijs.pdf].

[3] [ah-tk-20002001-515 Buijs.pdf]

[4] [ah-tk-20062007-2499 Omtzigt Schermer.pdf]

[5] [email naar de Kamerleden Omtzigt en Schermers naar aanleiding van het antwoord van de Minister op vraag 2499 jaar 2006-2007].pdf]

[6] [Telegraaf 25 januari 2007; Nabestaanden vaak buitenspel.pdf]

[7] [ah-tk-20072008-3262 Arib.pdf]

[8] [ah-tk-20082009-2113 Omtzigt  Ten Hoopen.pdf]

[9] https://www.bnnvara.nl/kassa/videos/32254

[10] [ah-tk-20132014-2116 Bruins Slot.pdf]

[11] https://www.bnnvara.nl/kassa/videos/275040